Ik stapte gespannen in de auto afgelopen maandag. Ik was op weg naar jou. We hadden elkaar al een lange tijd meer gezien. Hardop vroeg ik mij af of jij net zo gespannen was als ik. Hoe dichter ik bij Meerssen kwam, hoe hoger mijn hardslag werd. Bij het opdraaien van de parkeerplaats bij de sporthal, begon ik zelfs licht te zweten. Dit gevoel had ik in lange tijd niet meer gehad.
Bij het binnen stappen, eerst netjes de protocollen naleven. Handen desinfecteren, mondkapje kon nog even in de zak blijven. Ik hoorde in de hal een vertrouwd geluid. Een geluid dat ik alleen maar kon koppelen aan jou. Volgens mij stond mijn hart zelfs even stil, toen ik besefte dat jij al in zaal was. Ik keek stiekem om de hoek van de deur. Daar was je in je oranje/bruine verschijning. Ook al ken ik je zo lang, jouw kleur heb ik nooit een goede naam kunnen geven.
Nog eventjes en dan zou ik je eindelijk weer in mijn handen kunnen houden. Even schoenen aantrekken, de nieuwe regels met de drie teamgenoten bespreken. Het is gek om met slechts vier mensen op één veld te mogen trainen en op dat veld ten alle tijde anderhalf meter uit elkaar te moeten staan. Bij gekke tijden, horen gekke aanpassingen. Maar ik vond het te gek mij weer op heilige grond te mogen begeven.
En ja hoor toen waren eindelijk weer samen. Ik maakte twee dribbels met je, ik schoot. Raak. Het leek of het nooit anders was geweest. Een hoekshot, een drive, de bewegingen bevonden zich nog in mijn arsenaal, de uitvoering liet te wensen over. Maar jij trok je er niets van aan en trok mij door die eerste onwennige minuten heen.
Een uur tijd was er gereserveerd om met jou door te maken. Eigenlijk is een uur veel te kort. Maar na een kwartier wat oefeningen te hebben gedaan, leek het uur nog lang te duren. De conditie was ver, heel ver te zoeken. Toch ben ik blij dat mijn club deze alternatieve training heeft verzonnen, om toch actief te kunnen blijven. En bij jou te kunnen zijn.
Ik heb je gemist basketbal. Tot morgen!
