Nee, ik geloof niet in God. Niet meer althans. Ik ben geen
volgeling van de Islam, het Boeddhisme, Hindoeïsme of elk ander isme. Dus ook
niet van het Ietsisme. Simpelweg omdat ik denk dat er geen hogere macht is.
Toch hoop ik na mijn dood op een hemel. Een plek waar iedereen gelijk is,
ongeacht geloof, geslacht of afkomst.
Een plek zonder haat en verdriet. Een plek zonder technische problemen. Een
plek waar iedereen zich veilig voelt. Waar niemand zijn of haar leven hoeft te ontvluchten.
Afgelopen week lees ik alle afschuwelijke nieuwsberichten: Vliegramp in
Ethiopië; Aanslag in Christchurch; Onrust op Urk; Meisje van acht neergestoken.
Ik wens dat het in dit leven of het leven hierna allemaal beter wordt. Veel
nieuws is negatief en neerslachtig. Het lijkt of er nog maar twee dingen ons
verbroederen: liefde en sport. Maar zelfs bij sport verschuift de grens af en
toe naar het ontoelaatbare. Echter biedt sport voor veel mensen wel een
uitvlucht uit het leven van alle dag.
In 1976 komt het boek “Heaven is a Playground” uit. Rick Telander beschrijft de basketbalveldjes in de getto van Brooklyn. Het lichtpuntje voor de donkere spelers uit de wijk. De plek waar zij hun leven kunnen ontvluchten op een kans als profbasketballer. Ik heb het geluk in goede omstandigheden te zijn geboren. Maar herken mij in het je even helemaal vrij voelen op het basketbalveld. Daar waar ik hoogte- en dieptepunten heb meegemaakt, maar vooral met veel vreugde op terugkijk. Nu 21 jaar later, speel ik het spelletje nog steeds. Elke keer geeft het mij weer een vrij gevoel, even uit de drukke wereld stappen. Even helemaal jezelf zijn. Een plek die ik iedereen gun.
Daarom hoop ik na mijn dood op een hemel. Want de hemel is immers een basketbalveld. Als je niet van basketbal houdt, is er vast ruimte voor een veldje naar eigen wens. En God als U toch bestaat: reserveert U alvast een plekje in de hemel voor mij?
Richard Veldman
